Over het leven van Bijbelleraar
Corn.J.H. The
ijs (1903-1983)



Home | Sitemap

 

Voor allen onverwacht en ver van zijn eigenlijke arbeidsterrein is op de 1ste Kerstdag, zondag 25 december 1983, op ruim 80-jarige leeftijd onze geliefde broeder en Bijbelleraar C.J.H. Theijs ingegaan in de eeuwige rust.

Dit gebeurde in Edmonds, in de Amerikaanse staat Washington, waar hij samen met zijn vrouw het laatste halfjaar van zijn leven vertoefde(te midden van hun kinderen en aangetrouwde kinderen), terwijl hij zich aan het gereedmaken was om naar de morgendienst van de Bethel Temple-"thuisgemeente" in Seattle te gaan (de gemeente die in 1914 werd gesticht door de door hem zo gewaardeerde Reve. W.H. Offiler).

Hij zou dit Kerstfeest echter niet meer met zijn geloofsgenoten hier op aarde vieren, maar met de triomferende Gemeente in het hemelse Jeruzalem! God beschikte het zo. En zo kwam een einde aan een zeer werkzaam leven en aan een jarenlange vruchtbare bediening in het Koninkrijk Gods in verschillende delen der wereld.

Begonnen in voormalig Nederlands Indië

Ongeveer 55 jaren is onze br. Theijs  werkzaam geweest in de wijngaard des Heren. Hij was één van de oudste overlevenden van de "mannen van het eerste uur" uit het voormalige Nederlands Oost-Indië (het huidige Indonesië). Als naaste medewerker van br. F.G. van Gessel had hij als jong evangelist vanaf ongeveer 1927 een werkzaam aandeel in de grote Pinksteropwekking die toen over dat uitgestrekte eilandenrijk golfde.

Gloedvol kon hij vooral in de laatste jaren van zijn leven vertellen over de wonderbare dingen die hij toen heeft meegemaakt, toen God op zo’n bijzondere wijze de Indische archipel bezocht. Eén van die ervaringen, waarover wij hem overigens verder nooit hebben horen spreken, verhaalt hij in zijn geschrift "Het verbond van genezing" (± 1955) en wij halen dit stuk hier aan, omdat hierbij zijn persoonlijkheid en karakter zo treffend naar voren komen, of, juister gezegd, omdat hier zo treffend geïllustreerd wordt welk geloofsstandpunt deze man Gods innam (hetgeen hij ongetwijfeld gemeen had met vele anderen van de "oude garde").

Hij schrijft dan: "Toen ik in het voormalige Nederlands Oost-Indië de Gemeente te Pasuruan bediende, kwam er op een avond in het zaaltje aan de Kebonsarieweg een Chinese vrouw binnen, die melaats was. Haar gehele gelaat was zeer sterk gezwollen, zoals dat bij zulke lijders het geval is, en daarbij "nattig"… Toen aan het einde van deze samenkomst gevraagd werd, wie er voorbede van node had, stond ook deze zieke vrouw op… Ik wil u thans niet vertellen van de Goddelijke genezing, die (conform Gods beloften) natuurlijk ook haar deel werd – halleluja – maar wel van iets anders.

Eén ogenblik dreigde "vrees voor besmetting" mij te overmeesteren. Dankzij Gods rijke genade kon ik mijn ogen gericht blijven houden op Christus’ kruis en, het Bloed aanroepend, bad ik: niet om bevrijd te mogen worden van besmetting, maar om verlossing van iedere zweem van vrees voor die besmetting".

Dat God het zo vaak anders leidde in zijn leven dan hijzelf wilde, daarvan legde hijzelf meer dan eens getuigenis af, als hij in zijn predikingen verhaalde hoe God hem riep naar het vèr van Soerabaja (toentertijd het centrum van de opwekking) gelegen Djember.

Bijbelleraar en schrijver

Maar ook in Soerabaja (te Indonesië) heeft hij gewerkt. Met name als leraar aan de bekende "Bethel Temple Bijbelschool"van de Embong Malang, waar hij omstreeks 1935 les gaf, samen met andere bekende predikers als Van Gessel,Patterson, Wasell en Johnson. Het leraarschap was zijn voornaamste bediening.

Reeds vroeg raakte hij gegrepen door de taallesoverschaduwende majesteit van het Woord van God. Hij werd een groot strijder voor de zuiverheid van de leer en schaarde zich hiermee duidelijk aan de zijde van pastor Offiler, de stichter van Bethel Temple. Vooral in de boeken en Bijbelstudies die br. Theijs  in de 50-er en 60-er jaren schreef, komt tot uiting hoe één-van-geest hij was met br. Offiler. Ook in het vooroorlogse Nederlands Oost-Indië was hij trouwens al overtuigd van de waarde van het geschreven woord en reeds actief met de pen.

Hij redigeerde het blad "De Blijde Boodschap" en werkte in de beginjaren ook mee aan het bekende en nog altijd bestaande Pinksterblad "Gouden Schoven". In het allereerste nummer van "Gouden Schoven", dat van januari 1929, stond het bericht van zijn huwelijk (hij huwde op 5 december 1928 met zr. J. Dorrius). In die beginjaren werkte hij ook mee met zr. Alt aan de totstandkoming van de eerste uitgaven van de zangbundel "Glorieklokken". Iets wat minder bekend is, is dat deze begaafde en veelzijdige man ook liederen (uit het Engels) heeft vertaald (onder andere: Glorieklokken nr. 11).

Daarbij kwamen hem zijn dichterlijke kwaliteiten van pas, die mede blijken uit een aantal gedichten die hij geschreven  heeft. Eén van de meest bekende is het ontroerende lied van "het Bruiloftsfeest", dat later door zr. J. Theijs-Straver, met wie hij na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1965 in het huwelijk trad, van een melodie is voorzien Bethel-Evangeliekoren" nr. 329)

Zijn eerste vrouw vertelde mij eens, dat hij haar ter gelegenheid van hun huwelijk een bundeltje met door hem geschreven gedichten aanbood. En nog vorig jaar liet hijzelf mij een gedicht zien, dat hij aan zijn moeder had opgedragen (over wie hij soms met ontroering kon spreken).

Glorietijd in Nederland

Toen br. Theijs  in de oorlogsjaren (de 2de wereldoorlog) samen met vele anderen de ontberingen van de Japansekrijgsgevangenschap moest doormaken, kreeg hij van God de zekerheid dat hij zou overleven. Want de Heer sprak op een nacht tot hem: "Gij zult wederom profeteren!" (zie Openb. 10:11). Dat dit betrekking had op een werk dat hij in Nederland na de oorlog zou aanvangen, bevroedde hij toen nog niet.

De Heer riep hem hierheen en veler gebeden werden verhoord, toen hij op Hemelvaartsdag in 1952 in het zaaltje aan de Daquerrestraat nr.175 in Den Haag een nieuwe start maakte in Nederland. In 1953 werd overgegaan naar de grotere zaal van het Venduhuis der Notarissen aan de Nobelstraat 5. In deze bijna legendarisch geworden zaal heeft br. Theijs  toen tien jaren lang met veel zegen gepredikt. Allen die deze tijd hebben meegemaakt, spreken over onvergetelijke diensten, waarin de heerlijkheid van God werd geopenbaard. Br. Theijs  stond in die dagen onder een bijzondere zalving van Gods Geest.

Ondertussen was hij ook begonnen een landelijk werk te ontplooien. Een aantal andere, eveneens uit het voormalige Nederlands Oost-Indië gerepatrieerde evangelisten openden gemeenten op andere plaatsen in ons land. Br. Theijs  bracht hen tezamen en bundelde de krachten. In Den Haag begon hij in de 50-er jaren ook een Avond-Bijbelschool (2 klassen) en in januari 1956 kwam het eerste nummer uit van "Het Volle Evangelie", dat als contactblad ging fungeren voor de ongeveer 30 gemeenten die toen onder de naam "The Bethel Pentecostal Temple Inc. in Nederland" samenwerkten (dit blad wordt nog steeds uitgegeven. Br. Theijs was (en is dat ook daarna gebleven) onmiskenbaar de leidende figuur.

Hij had daar de capaciteiten voor. Maar wat belangrijker was: God had hem op deze plaats neergezet en dit was dan ook het algemeen gevoelen van de samenwerkende evangelisten in die dagen. En zo is zijn bediening tot rijke zegen in geheel Nederland geworden. Wat een buitenstaander misschien zal verwonderen: van organisatie wilde br. Theijs niets weten.

"De Gemeente is een organisme en geen organisatie" was zijn mening. De benadrukking van de autonomie van de plaatselijke gemeente (tot in onze tijd in veel Bethel-gemeenten hier te lande met overtuiging beleden) ging hand in hand met deze organisatie-afkeer. Ondanks zijn sterke persoonlijkheid en het kenmerkende (soms wat al te) vastberaden optreden, deed hij zich dan ook vooral in die jaren niet kennen als "de man die het alleen voor het zeggen wilde hebben". Daarbij kwam, dat hij wars van persoonsverheerlijking was. Hij wilde de mensen uitsluitend aan Christus binden. In 1962 kwam een eind aan wat algemeen genoemd werd "de glorie-tijd", die dus precies tien jaren geduurd had. Op 1 april van dat jaar vertrok br. Theijs met zijn vrouw naar de USA.

Amerikaanse tijd

Daar heeft hij toen een aantal jaren les gegeven aan de Bethel Temple-Bijbelschool in Seattle, waartoe hij door de opvolger van br. Offiler, br. Patterson (een oude vriend dus van br. Theijs uit de Indische tijd), was aangezocht, om daar met name het vak "Tabernacles" te gaan doceren. Omdat dieper inzicht in de symboliek van de Tabernakel omstreeks 1935 aan br. F.G. van Gessel in Ned. Indië was geschonken, waren het vooral de met br. van Gessel samengewerkthebbende Indische broeders die doorkneed waren in de tabernakel- en tabernakellicht-studies.

En onder dezen nam br. Theijs  onbetwist een vooraanstaande plaats in. Daarom werd juist hij aangezocht om de verkregen diepere inzichten aangaande de tabernakel en tabernakel-ordeningen aan de Bijbelschool in Seattle te gaan onderwijzen.

Daarmee werd ook een in Amerika uitgesproken profetie vervuld, dat (nadat de Amerikanen en Amerikaanse Nederlanders het Volle Evangelie naar de Indische archipel zouden hebben gebracht) "bruine mensen" op hun beurt de Amerikanen zouden komen onderwijzen.

Terug naar Nederland

In 1965 keerde br. Theijs terug naar Nederland. Hier overleed in dat jaar zijn eerste vrouw en hertrouwde hij enige tijd later met zr. J. Hermes-Straver, de weduwe van de in 1960 overleden voorganger van de Amsterdamse Bethel Temple-gemeente (br. E. Ch. Hermes). Er was na het vertrek van br. Theijs naar Amerika nogal wat gebeurd in Nederland (o.a. had de scheuring plaats gevonden die tot het ontstaan van de Bethel-Pinksterkerk leidde) en het één en ander leidde ertoe, dat hij na terugkomst hier een geheel nieuw werk begon. In deze periode, die tot 1980 duurde, en waarin hij leiding gaf aan een – deels uit "oude" gemeenten gevormde – nieuwe fellowship (broederschap, landelijk samenwerkingsverband van gemeenten), nu geheten "The Bethel Pentecostal Temple Fellowship in Nederland", heeft hij zich meer dan ooit tevoren op het schrijven van boeken en brochures toegelegd. Meer dan 50 publicaties heeft hij op zijn naam staan over de meest uiteenlopende onderwerpen.

Beëindiging der loop

Aan al dit werk kwam goeddeels een einde in 1980. In november van dat jaar legde hij zijn gemeentelijk werk neer,nadat hij tot tweemaal toe door een hartaanval was getroffen. Hij nam afscheid van de fellowship en vertrok "voorgoed" naar Spanje. Maar deze nijvere man, die van zijn God gevraagd had tot zijn 80ste jaar te mogen arbeiden (welke wens vervuld is!) en meer dan eens te kennen had gegeven "in het harnas" te willen sterven, kon niet stilzitten. Hij ging door met schrijven (voordien trok hij zich vaak voor een maand terug in Spanje om rustig te kunnen schrijven) en keerde ook sindsdien nog regelmatig naar Nederland terug voor het beleggen van samenkomsten en het houden van spreekbeurten.

Verblijf in Spanje

In Spanje bleef hij zelfs nog een kleine huisgemeente voorgaan en verleende hij ruggesteun aan de Spaanse evangelist Justo. Ook bleef hij de contacten met Amerika onderhouden. Als hij daar was in de "camping-tijd" (grote zomer-conferentie van de Bethel Temple op eigen terrein bij Mirror Lake, in de Amerikaanse staat Washington) was het hem vooral een grote vreugde zijn Indonesische broeders daar te ontmoeten. De banden met de Gereja Pantekosta van Indonesië waren vooral na zijn zendingsreis naar Indonesië in het begin van de 70-er jaren verstevigd.

Het laatste halfjaar van 1983 verbleef br. Tjeijs,  zoals vermeld, in Amerika en in december schreef hij ons nog: "Zo Hij wil en wij (nog) leven, vertrekken wij 7-1-1984 weer naar kikkerland". Het heeft zo niet mogen zijn. God riep hem naar het hemelse land en daar, in die wereld van aanschouwen mag hij nu zijn bij Hem aan Wie hij zijn leven met hart en ziel had toegewijd, bij Hem van Wie hij soms tot tranen toe bewogen kon spreken, Die ook hèm kocht met Zijn dierbaar Bloed, onze Here Jezus Christus. Zijn lichaam rust in het land van br. Offiler tot op de dag van de wederopstanding.

Het afscheid

De begrafenis, te Edmonds, werd verzorgd door rev. C. Joe McKnight (de huidige voorganger van Bethel Temple te Seattle) en de oude rev. W.W. Patterson, op wie br. Theijs  zeer gesteld was.

Een rijk en vruchtbaar leven is ten einde gelopen. Een zeer veelzijdige en begaafde dienstknecht van God heeft de loop geëindigd. Wij hebben er nog moeite mee om te geloven, dat wij onze br. Theijs hier op aarde in deze bedeling niet meer zullen zien. Hoe gaarne zaten wij onder het gehoor van deze bezielende prediker, die een groot redenaarstalent paarde aan een diep inzicht in Gods Woord! Met recht kunnen wij zeggen, dat er met zijn heengaan een tijdperk is afgesloten. Het werk des Heren moet echter worden voortgezet. Moge dit gedaan worden in de geest van Hebr. 13:7 en  8.

Wij zijn dankbaar voor wat onze Heer ons in onze br. Theijs gegeven heeft. Doch wij gaan voorwaarts, ziende op onze Overste Leidsman en de Voleinder van ons geloof. Eenmaal zullen wij elkaar weerzien – als wij, die achterbleven, tenminste getrouw blijven. De God en Vader van onze Here Jezus Christus sterke en vertrooste onze zr. Theijs, die haar man jarenlang trouw terzijde heeft gestaan, alsmede de kinderen, aangetrouwde kinderen, kleinkinderen en overige nabestaanden. Hem Die op de troon zit en het Lam zij alle eer, tot in eeuwigheid!

H. Siliakus
Gedeeltelijk overgenomen uit het  blad "De Tempelbode", 4de jaargang, nr. 4, januari 1984


Omhoog